Alle goede dingen in drieën

Vind jij het lastig om van de ene beweging naar een andere over te schakelen? Misschien vraag je je af, waarom dat zo is en hoe je het je eigen maakt. Lees dan verder, want dit blog gaat over driedelige maatsoorten en driedelig ritme, de combinatie bij uitstek om je flexibiliteit te trainen.

De driedelige maat

Het bekendste voorbeeld van muziek in een driedelige maat is de wals. Het driedelig karakter zien we terug in de passen: een grote pas op de eerste tel, gevolgd door twee kleine pasjes op de tenen. De wals kent twee varianten: de langzame engelse wals en de snelle weense. Oudere dansen (tot 1800) in driedelige maat zijn menuet, sarabande, courante en gaillarde.

Omdat beelden meer zeggen dan woorden heb ik enkele fragmenten opgenomen, overigens zonder de bedoeling om je tot dansen te verleiden. Hoewel alle dansen in een driedelige maat staan, zijn de bewegingen steeds verschillend. Geen tel is hetzelfde.

Deze opname van Potsdamer Rokoko geeft een mooi beeld van de flexibiliteit die een menuet vraagt. Merk op, dat de lange passen twee keer zo lang duren als de wandelpassen omdat de dansers lichtjes door de knieën gaan. In de afsluitende frase is de bekende hemiool-figuur te herkennen. https://www.youtube.com/watch?v=ZrmoCqoF034

De sarabande veert vanuit het maataccent op de tweede tel, zoals goed te zien is op de video van Baroque Dance. Vaak wordt de toon op de tweede tel verlengd tot in de derde tel, waarna een klein voetgebaar de toeschouwer snel naar de volgende figuur meeneemt. https://www.youtube.com/watch?v=0G5pcF6UHLg

In de gereconstrueerde courante door de groep Contrapasso zien we hoofdzakelijk de huppelpas. De passen worden verbonden door een zijwaartse stap. Iedere zin wordt afgesloten met twee lichte knieveringen. https://www.youtube.com/watch?v=KdYoW6lhf6A

De gaillarde werd vooral in de Renaissance aan koningshoven gedanst. In deze opname is de lichtvoetigheid in de afwisseling tussen het linker- en rechterbeen duidelijk zichtbaar. Op iedere langere toon springen de dansers even op twee voeten.
https://www.youtube.com/watch?v=8lDCxv3Hv2g

Deze flexibiliteit hebben we ook nodig bij het spelen en zingen en dit kunnen we oefenen door ernaar te kijken en te “vertalen” naar nuances in de wijze van aanslaan en toon aanzetten. Zoals de danspassen voortdurend op een andere manier beaccentueerd worden, kunnen we dat in toonsterkte en articulatie hoorbaar maken.

Kenmerkend voor dansen in driedelige maat is de extra beweging die bij de doorgaande passen komt. Het maataccent kan hierdoor van been of voet wisselen. Wat uiteraard prettig is voor de dansers, omdat dit knieën en heupen ontlast.

Voor beginnende instrumentalisten echter kan de “extra tel” knap lastig zijn! Zangers hebben nog houvast aan het woordaccent en kunnen naar belangrijke woorden in de zin toezingen. Daarom gebruik ik korte zinnetjes of woorden om je de driedelige maat te laten voelen.

Enkele voorbeelden
Eén twee drie: door-lo-pen, op-schie-ten
drie Eén twee (opmaat van 1 tel): wij sa-men
twee drie Eén (opmaat van 2 tellen): kom maar mee

Driedelig ritme

Zodra één of meer tellen in drieën worden onderverdeeld spreken we van driedelig ritme. Een heel bekend voorbeeld van een driedelig ritme in de driekwartsmaat is de boléro. Ook in de courante vinden we driedelig ritme: een huppelpas bestaat uit een lange en een korte toon met de verhouding 2 : 1.

In maatsoorten met vijf, zes of meer tellen komt bijna altijd driedelig ritme voor. In Dave Brubecks bekende “Take five” wordt driedelig ritme afgewisseld met tweedelig, een zesachtste maat bestaat meestal uit twee groepen van drie achtsten.

De zesachtste of zeskwartsmaat biedt een leuke mogelijkheid tot afwisseling: twee groepen van drie tellen kun je afwisselen met drie groepen van twee. Leonard Bernstein heeft dit gedaan in het nummer “I want to be in America” uit West Side Story. In de begeleiding hoor je de doorgaande beweging van de achtste noten.

Barokcomponisten als Bach en zijn voorgangers gebruikten al deze zogenoemde samengestelde maatsoorten. De verschillende maatdelen worden ritmisch in tweeën of drieën gedeeld. Het verschil in beweging dat hieruit voortvloeit is duidelijk te onderscheiden bij de Mattheus (driedelig) en de Johannes Passion (tweedelig ritme).

Een laatste opmerking over de beleving van driedeligheid: hierin is er altijd sprake van een verbindend midden, iets waaraan ik in ieder geval grote behoefte heb, en jij? Laat mij weten of deze informatie je helpt en deel het met anderen.