Noten lezen of op gehoor spelen

Mensen die zo kunnen naspelen wat ze horen, die zijn pas muzikaal!

Waarom moet ik noten lezen? Ook bekende artiesten (Paul McCartney, Stevie Wonder) kunnen geen noot lezen en maken geweldige muziek!

Iedere muziekdocent krijgt vroeg of laat deze vragen en opmerkingen van leerlingen en luisteraars. En het is ook waar: van Mozart bijvoorbeeld was bekend, dat hij een stuk slechts één keer hoefde te horen om het uit zijn hoofd te kunnen opschrijven en naspelen.

Daarmee wordt meteen duidelijk, waarom het notenschrift is bedacht: als HULPMIDDEL om te onthouden hoe iets klinkt. Of je nu noten leest of muziek op gehoor leert spelen / zingen, bij beide vormen is het belangrijk om de samenhang tussen de noten te horen en te zien.

Een noot op zichzelf is immers nog geen muziek, zoals één letter geen eigen betekenis heeft. Hoe hoor je of zie je de samenhang? Daarvoor is een beetje muziektheorie een praktisch hulpmiddel.

Absolute en relatieve notennamen

De absolute notennamen zijn a, b, c, d, e, f, g en deze hebben een vaste hoogte. De noten op een notenbalk zonder kruisen of mollen heten stamtonen en op klavierinstrumenten zijn het de witte toetsen. Op de notenbalk kun je niet zien of er een hele of een halve afstand tussen noten zit.

Notenbalk

Op het toetsenbord kun je de halve toonsafstand gemakkelijk zien: dat zijn twee witte toetsen direct naast elkaar. Tussen e en f en tussen b en c zit een halve afstand.

De relatieve notennamen zijn do, re, mi, fa, so, la, ti. Tonen worden ook wel aangegeven met de cijfers 1 tot en met 7. Zij hebben geen vaste hoogte, dus alle (stam)tonen kunnen do zijn. Het voordeel van de relatieve notennamen is dat je precies weet waar de halve toonsafstanden zich bevinden: tussen mi en fa en tussen ti en do.

Hoe helpt deze kennis je bij het spelen?

In klassieke muziek en ook in de meeste popmuziek spelen melodie en harmonie zich af rondom een paar belangrijke tonen. Je hoort waar de muzikale zin naar toe loopt, zeker in bekende “formules”. Je ziet bepaalde noten vaker terugkomen.

De grondtoon of het tooncentrum is de belangrijkste: daar komen aan het einde melodie en harmonie tot rust, dan hoor je: nu is de zin uit. Als de zin begint met de grondtoon, hoor je: let op, deze toon staat centraal.

Bijna even belangrijk is de toon die er vijf tonen boven ligt. Deze noemen we dominant en hij leidt bijna altijd naar de grondtoon. Dat kan met een sprong, maar ook met een reeks van vijf tonen naar beneden (of vier naar boven).

 

In majeur muziek is de do grondtoon / tooncentrum en liggen de halve toonsafstanden tussen de derde en vierde toon (mi-fa) en de zevende en de achtste (ti-do). Luister hier naar enkele voorbeelden.

Ah vous dirai-je maman (hoe heet dit liedje in het Nederlands?) Mozart Thema

Alleluia (uit Exsultate, jubilate) Mozart Alleluia

Au clair de la lune Au clair de la lune

Eine kleine Nachtmusik Eine kleine Nachtmusik

In mineur muziek is la de grondtoon en liggen de halve afstanden tussen de tweede en derde toon (ti-do) en de vijfde en zesde (mi-fa). In oudere muziek (voor 1600) zijn de relatieve notennamen heel bruikbaar. Ook sommige hedendaagse componisten gebruiken de oude kerktoonaarden.

 

Luister maar eens naar deze mineur-fragmenten:

Scarborough Fair (dorische of re-modus) Scarborough Fair

Beethoven: Mondschein sonate (harmonisch mineur, verhoogde zevende toon) Mondschein sonate

Satie: Gnossienne nr. 1 (zowel oorspronkelijk als harmonisch mineur) 1ste Gnossienne

Niet alle stukjes beginnen met de grondtoon. Welke zijn dat volgens jou? Ervaar je de melodie anders als zij op de grondtoon begint? Ik ben benieuwd naar jouw mening. Laat hier je reactie achter en vertel mij vooral of deze informatie je helpt bij het musiceren.